Geïnterviewde Doekle Terpstra en Joost van der Veen over de ambitie van MICS:

‘Over tien jaar moet het resultaat zichtbaar zijn’

De toekomst van de Nederlandse hoogwaardige maakindustrie vraagt om een andere manier van samenwerken

Doekle Terpstra (bestuurlijk verkenner MICS en hoogwaardige maakindustrie) en Joost van der Veen (programmamanager MICS en high-tech maakindustrie) spreken over de ambitie van MICS: waar wordt gewerkt aan een internationaal toonaangevende campus waar bedrijven, onderwijs en overheden samen werken aan het toekomstige verdienvermogen van Nederland. 

Nederland beschikt over een gespecialiseerde hightech maakindustrie en een rijk ecosysteem aan onderwijsinstellingen en kennispartners.  Maar internationale concurrentie neemt toe, technologische ontwikkelingen volgen elkaar in hoog tempo op en de arbeidsmarktkrapte vraagt om snellere oplossingen dan individuele bedrijven alleen kunnen realiseren. Om concurrerend te blijven moeten hoogwaardige maakbedrijven niet alleen blijven innoveren, maar ook veel intensiever samenwerken op het gebied van innovatie en talentontwikkeling. De Mechatronica Innovatie Campus Schiedam (MICS) gaat daarin een belangrijke rol spelen. 

Bestuurlijk verkenner Doekle Terpstra en programmamanager Joost van der Veen kijken in dit interview tien jaar vooruit. Hoe ziet MICS er dan uit? Hun ambitie: een internationaal verbonden campus waar bedrijven, onderwijs- en kennisinstellingen gezamenlijk de innovatie- en productietechnologie van de toekomst ontwikkelen én sneller naar de praktijk brengen. Een plek waar samenwerking niet begint bij bestuurlijke structuren, maar bij een gedeelde ambitie om innovatie te versnellen en talent beter te ontwikkelen. 

Over tien jaar moet het resultaat zichtbaar zijn

Wanneer is MICS in 2036 geslaagd? Terpstra: ‘Als MICS de plek is geworden waar bedrijven naartoe komen om sneller te innoveren, te groeien en talent aan zich te binden. De grote uitdagingen waar de maakindustrie voor staat, zijn simpelweg te groot en gaan te snel om alleen op te pakken. Juist daarom moet MICS een krachtig ecosysteem zijn waarin bedrijven, onderwijsinstellingen en overheden gezamenlijk nieuwe technologieën ontwikkelen, testen, toepassen en produceren. Als we daarmee de doorlooptijd van innovatie kunnen verkorten, nieuwe bedrijvigheid aantrekken en bestaande bedrijven helpen sneller op te schalen, dan maken we echt het verschil. Dan staat MICS bekend als dé campus voor hoogwaardige productie en innovatie en worden we internationaal herkend als een plek waar de maakindustrie van de toekomst daadwerkelijk vorm krijgt.’ 

‘Maar ik wil ook dat we dan kunnen terugkijken op een manier van samenwerken die als voorbeeld dient voor andere regio’s. Een omgeving waarin nationale en internationale bedrijven elkaar weten te vinden, gezamenlijk investeren in innovatie en talentontwikkeling en waarin bedrijven begrijpen dat hun concurrentiekracht niet alleen wordt bepaald door wat zij individueel kunnen, maar ook door wat zij samen weten te realiseren.’ 

Van der Veen: ‘Ik zou het vooral willen meten aan wat we daadwerkelijk bereiken. Hoeveel bedrijven hebben dankzij MICS toegang gekregen tot nieuwe kennis, technologie en samenwerkingspartners? Hoeveel innovaties zijn sneller doorontwikkeld van onderzoek naar toepassing en productie? Hoeveel studenten en professionals hebben in een praktijkgerichte omgeving nieuwe vaardigheden ontwikkeld? En hoeveel hoogwaardige bedrijvigheid hebben we daardoor behouden, versterkt of aangetrokken? Uiteindelijk gaat het erom dat de campus aantoonbare waarde creëert voor bedrijven én voor de Nederlandse industrie. Niet alleen door innovatie mogelijk te maken, maar vooral door innovatie en talentontwikkeling te versnellen.’ 

Terpstra: ‘We hebben in deze regio de kennis, de bedrijven en het talent. Met MICS hebben we de kans om die veel sterker met elkaar te verbinden en daarmee een omgeving te creëren waarin bedrijven sneller toegang krijgen tot kennis, technologie en gekwalificeerde mensen dan zij afzonderlijk kunnen organiseren. Juist die snelheid wordt steeds bepalender voor ons concurrentievermogen. Als we daarin slagen, leveren we niet alleen iets waardevols voor deze regio, maar voor de industriële toekomst van heel Nederland.’

Doekle Terpstra en Jan van Zanen bij de ondertekening van het samenwerkingsakkoord MICS

We moeten internationaal durven denken

Is de Brainport Industries Campus in Eindhoven het voorbeeld voor MICS? Terpstra: ‘De Brainport Industries Campus laat zien hoe krachtig een regio kan worden wanneer bedrijven, kennisinstellingen en overheden zich voor langere tijd verbinden aan een gezamenlijke ambitie. Dat ecosysteem is niet van de ene op de andere dag ontstaan, maar heeft zich ontwikkeld tot een internationaal herkenbare omgeving waar innovatie, productie en talentontwikkeling samenkomen. 

Daar kunnen we veel van leren. Tegelijkertijd heeft Zuid-Holland minstens zoveel sterke bouwstenen in huis. De uitdaging is om die beter met elkaar te verbinden, zowel binnen de regio als met andere campussen. Juist de samenwerking met partijen zoals de Brainport Industries Campus biedt kansen om kennis te delen, innovatie te versnellen en de positie van Nederland als maakland verder te versterken.’
Van der Veen: ‘MICS krijgt daarbij nadrukkelijk een eigen profiel. Onze kracht ligt in mechatronica, robotisering en de hightech maakindustrie. We willen een campus zijn waar bedrijven samen kunnen werken aan de productietechnologie van morgen en waar innovaties sneller hun weg vinden van idee naar toepassing en productie. Met gedeelde faciliteiten, fieldlabs en demonstratieomgevingen creëren we een plek waar bedrijven, kennisinstellingen en talent elkaar versterken.’
‘Over tien jaar is MICS een plek zijn waar nationale en internationale bedrijven naartoe komen omdat hier de juiste kennis, partners en faciliteiten bijeenkomen. Een campus waar samenwerking leidt tot snellere innovatie, een sterkere concurrentiepositie en betere toegang tot talent. Niet als een op zichzelf staand initiatief, maar als onderdeel van een sterk Nederlands en Europees netwerk van gespecialiseerde innovatiecampussen die gezamenlijk bouwen aan de hoogwaardige maakindustrie van de toekomst.’

Mechatronica Innovatie Campus Schiedam (MICS) wordt dé hotspot voor de mechatronica-industrie. Binnen dit ecosysteem werken bedrijven, bezoekers, onderwijs en overheden samen aan de techniek van morgen. Samenwerking, kennisdeling en de beschikbaarheid van talent zorgen voor innovatiekracht op deze 42 hectare tellende Campusontwikkeling.  Via deze link leest u meer over MICS.

Talentontwikkeling: onderdeel van innovatie- en productieproces

Wat betekent deze ambitie voor onderwijs en talentontwikkeling? Van der Veen: ‘We moeten af van het idee dat onderwijs mensen opleidt en bedrijven ze daarna in dienst nemen. De technologische ontwikkelingen in de maakindustrie gaan daarvoor simpelweg te snel. Talentontwikkeling moet veel meer onderdeel worden van het innovatie- en productieproces zelf. Op MICS brengen we onderwijs, onderzoek en bedrijven daarom structureel bij elkaar. Studenten, docenten, onderzoekers en professionals werken samen aan actuele technologische vraagstukken uit de praktijk. Zo ontstaat een leeromgeving waarin nieuwe kennis sneller wordt ontwikkeld, toegepast en gedeeld.’
‘Dat sluit aan bij de bredere Talentstrategie en programma’s zoals Beethoven Zuid-Holland. De behoefte aan technici groeit, maar minstens zo belangrijk is dat kennis en vaardigheden voortdurend mee blijven ontwikkelen met nieuwe technologieën. Denk aan robotica, AI, digitalisering en geavanceerde productietechnieken, maar ook aan vakmanschap op het gebied van materiaalkunde, precisietechnologie en mechatronica. Dat vraagt om nauwe samenwerking tussen bedrijven, mbo, hbo en universiteiten. Niet alleen om nieuw talent op te leiden, maar ook om huidige medewerkers continu te helpen ontwikkelen.’
Terpstra: ‘Juist daar ligt de kracht van een campus. Een succesvolle campus is veel meer dan een verzameling bedrijfsgebouwen. Het is een ecosysteem waar bedrijven samenwerken aan innovatie, waar kennisinstellingen direct aansluiten op de vragen uit de praktijk en waar talent zich ontwikkelt in een authentieke leeromgeving. Door die verbinding ontstaat een omgeving waarin bedrijven sneller kunnen innoveren, gemakkelijker toegang krijgen tot talent en gezamenlijk kunnen werken aan de technologieën van morgen. Als we dat goed organiseren, wordt MICS aantrekkelijk voor bedrijven én talent uit binnen- en buitenland.’

We hebben de kennis, maar moeten die beter verbinden

Waarom is juist nu een initiatief als MICS nodig? Terpstra: ‘Nederland staat voor grote economische keuzes. Het rapport-Wennink maakt duidelijk dat we gericht moeten investeren in ons toekomstige verdienvermogen. Daarbij gaat het niet alleen om het ontwikkelen van nieuwe technologie, maar vooral om het vermogen om innovaties sneller toe te passen, op te schalen en naar de markt te brengen. Zuid-Holland heeft daarvoor alles in huis: innovatieve bedrijven, sterke toeleverketens, universiteiten, hogescholen, mbo-instellingen en betrokken overheden. Tegelijkertijd zijn die kwaliteiten nog te vaak versnipperd georganiseerd. Juist in een tijd waarin internationale concurrentie toeneemt, kunnen we ons dat niet permitteren. Met MICS brengen we partijen bij elkaar rond een gezamenlijke agenda voor innovatie, productie en talentontwikkeling, zodat we sneller kunnen handelen en meer impact kunnen realiseren.’
Van der Veen: ‘Een belangrijk knelpunt zit in de stap van kennis naar toepassing. We beschikken met de TU Delft over een van de sterkste technische universiteiten van Europa en met de TU Delft Campus over een omgeving waar veel nieuwe technologieën, start-ups en onderzoeksinitiatieven ontstaan. Maar tussen onderzoek, prototype en grootschalige toepassing zit vaak nog een gat. Nederland is sterk in het bedenken van innovaties, maar minder sterk in het opschalen naar productie. We barsten van de start-ups, maar laten kansen liggen bij scale-ups. Daar ligt precies de toegevoegde waarde van MICS. Waar de TU Delft en de TU Delft Campus zich sterk richten op onderzoek, technologische ontwikkeling en ondernemerschap, richt MICS zich op de volgende stap: het industrialiseren, produceren en opschalen van die innovaties. De campus vormt daarmee een brug tussen kennisontwikkeling en hoogwaardige maakindustrie. Bedrijven kunnen er samen werken aan nieuwe productietechnologieën, automatisering, robotisering en slimme maakprocessen. Juist door de verbinding te leggen tussen de kennis uit Delft en de productie-expertise in de regio, kunnen innovaties sneller uitgroeien tot nieuwe producten, bedrijven en banen. Dat is ook waarom samenwerking zo belangrijk is. Geen enkel bedrijf kan deze opgave alleen oppakken. Door bedrijven, onderwijsinstellingen en kennispartners rondom gezamenlijke innovatieprogramma’s te organiseren, ontstaat een ecosysteem waarin kennis sneller wordt gedeeld, talent beter wordt ontwikkeld en innovaties sneller hun weg vinden naar de markt. Uiteindelijk bepaalt die snelheid steeds meer het concurrentievermogen van onze industrie.' 

Joost van der Veen

Robotisering is geen keuze meer

TNO waarschuwde onlangs dat de Nederlandse maakindustrie zonder versnelling van robotisering internationaal terrein verliest. Wat betekent dat voor MICS?  Van der Veen: ‘Dat onderzoek van TNO maakt de urgentie concreet. Nederland loopt bij industriële robotisering achter op internationale koplopers. Volgens TNO is een forse productiviteitsverbetering nodig om concurrerend te blijven. Dat bereik je niet door alleen meer mensen op te leiden. We moeten ook anders gaan produceren.’
‘Denk aan flexibele robotica, geautomatiseerde assemblage, slimme kwaliteitscontrole en productielijnen die snel kunnen omschakelen tussen verschillende producten. Juist voor de Nederlandse maakindustrie zijn dat cruciale technologieën. Op MICS kunnen bedrijven samen met onderzoekers en studenten zulke oplossingen ontwikkelen, testen en toepassen.’
Terpstra: ‘Dat is ook een maatschappelijk vraagstuk. We willen hoogwaardige industriële werkgelegenheid behouden, maar de beroepsbevolking groeit niet vanzelf mee. Dan moeten we slimmer werken. Robotisering helpt bedrijven concurrerend te blijven en creëert tegelijkertijd behoefte aan nieuwe kennis en vaardigheden. MICS richt zich dus via technologie op het vraagstuk van arbeidsproductiviteit.’

Nationale technologieambities moeten landen in de industrie

Nederland investeert in quantumtechnologie en werkt aan een Nationale Agenda Cognitieve Robotica. Welke rol kan MICS daarin spelen? Van der Veen: ‘Die ontwikkelingen komen op MICS heel logisch samen. Cognitieve robotica draait onder meer om robots die met behulp van AI kunnen waarnemen, leren en zich aanpassen aan hun omgeving. Dat is relevant voor complexe productieprocessen waarin traditionele automatisering tekortschiet. Van cobot tot humanoid, die ontwikkelingen gaan razendsnel.  Ook quantumtechnologie vraagt om hoogwaardige maakcapaciteit. Nederland heeft een sterke kennispositie, maar om quantumtechnologie breed toepasbaar te maken zijn schaalbare businesscases nodig. MICS kan op de as Delft-Rotterdam ruimte bieden voor deze groeiende sector.’
Terpstra: ‘We hoeven op MICS niet zelf de technologie uit te vinden. We moeten ervoor zorgen dat nieuwe technologie kan worden toegepast en opgeschaald. Daar ligt de verbinding tussen de nationale technologieagenda’s en het toekomstige verdienvermogen. MICS kan een belangrijke uitvoeringsplek worden voor nieuwe nationale investeringsprogramma’s, voortbouwend op de ervaringen met het Nationaal Groeifonds. Dit is Wennink in de praktijk.’

Schiedam denkt verder dan de eigen gemeentegrenzen

MICS ligt in Schiedam, maar wordt nadrukkelijk als regionale campus ontwikkeld. Waarom is dat belangrijk? Terpstra: ‘De kracht van MICS zit juist in de regionale benadering. De bedrijven, kennisinstellingen en talenten die we nodig hebben, houden zich niet aan gemeentegrenzen. De Metropoolregio Rotterdam Den Haag, waarin 21 gemeenten samenwerken, heeft dat goed gezien en ondersteunt de ontwikkeling van MICS vanuit het belang van de regionale economie. Daarmee ontstaat de mogelijkheid om een campus te bouwen die niet alleen Schiedam, maar de hele regio versterkt.  Wat ik bijzonder vind, is dat de gemeente Schiedam echt regionaal durft te denken. Natuurlijk is de komst van innovatieve bedrijven en werkgelegenheid belangrijk voor de stad. Maar Schiedam begrijpt dat MICS alleen succesvol kan zijn als het onderdeel wordt van een veel groter ecosysteem. Dat vraagt bestuurlijke lef en de bereidheid om over de eigen grenzen heen te kijken. Dat was mooi zichtbaar toen we in maart het MICS-akkoord ondertekenden met 30 regionale partijen.’
Van der Veen: ‘We verbinden MICS daarom actief met andere campussen in de regio, zoals in Delft en Rotterdam. Daar is al veel kennis en infrastructuur aanwezig. Het zou niet verstandig zijn om alles opnieuw op te bouwen. We kijken juist waar we elkaar aanvullen en hoe we gezamenlijke programma’s kunnen ontwikkelen. MICS krijgt daarin een duidelijk profiel rond mechatronica en geavanceerde productietechnologie.’ 

We beginnen niet met een organisatie, maar met de inhoud

Hoe organiseer je samenwerking tussen zoveel verschillende bedrijven, onderwijsinstellingen en overheden? Terpstra: ‘Bij regionale samenwerking zie je vaak dat er eerst veel tijd gaat zitten in het ontwerpen van bestuurlijke structuren. Wie zit waar aan tafel? Wie heeft welke bevoegdheid? Natuurlijk moet je zaken goed regelen, maar dat mag niet het vertrekpunt zijn. Bij MICS hebben we bewust gekozen om te beginnen bij de inhoud, bij het bedrijfsleven. Welke vraagstukken willen we oplossen? Welke bedrijven en onderwijsinstellingen en kennispartners hebben we daarvoor nodig? En wat kunnen we samen bereiken dat afzonderlijk niet lukt? Dat vraagt om anders organiseren, we hebben het ‘relationele governance’ genoemd. Niet een zware formele organisatie die samenwerking probeert af te dwingen, maar een netwerk waarin partijen elkaar kennen, vertrouwen ontwikkelen en verantwoordelijkheid nemen voor gezamenlijke resultaten. Het samenwerkingsakkoord is daarvoor een belangrijke basis. Het legt de gezamenlijke ambitie vast, zonder dat we direct een nieuwe rechtspersoon of uitgebreide bestuurlijke structuur optuigen.’
Van der Veen: ‘We organiseren de samenwerking rondom concrete programma’s en projecten, de eerste lopen inmiddels dankzij subsidie van de Regiodeal Waterwegregio. Komend jaar gaan we die programmering verdriedubbelen. Bedrijven brengen de technologische vraagstukken in. Onderwijsinstellingen en kennispartners verbinden daar onderzoek en talentontwikkeling aan. En overheden helpen de randvoorwaarden te creëren. Niet praten over samenwerking, maar samen aan de slag. Daarbij zijn de bedrijven de magneet. Zij geven richting aan de programmering en trekken andere bedrijven, onderzoekers en studenten aan. Campusontwikkeling is zoveel meer dan de gebouwde omgeving.
Terpstra: ‘Relationele governance betekent overigens niet dat alles vrijblijvend is. Integendeel. Juist wanneer je vanuit vertrouwen samenwerkt, moet duidelijk zijn wie waarvoor verantwoordelijkheid neemt. Het gaat om bestuurlijke betrokkenheid op de inhoudelijke ambities en dan vooral met alle experts aan de slag.’ 

Doekle Terpstra is bestuurlijk verkenner MICS en hoogwaardige maakindustrie voor de MRDH.  Eerder was hij onder meer bestuurder bij Techniek Nederland, Hogeschool Inholland en CNV.

Joost van der Veen is programmamanager MICS en high-tech maakindustrie. Hij werkte eerder bij het Ministerie van Onderwijs en voor een tiental scholen in mbo, hbo en wo.